1.
Inleiding Oplossingsgericht adviseren is een relatief nieuwe manier van adviseren die voordelen heeft. Bij oplossingsgericht adviseren ligt de nadruk op het definiëren van de gewenste situatie en op het analyseren van wat al goed gaat. De methode wordt soms heel kort beschreven als ‘doen wat werkt’. Op grond van onze ervaring hebben wij getracht om specifiek te beschrijven van oplossingsgericht adviseren inhoudt en hoe het afwijkt van traditionele adviesbenaderingen. Wij kwamen tot de volgende vier aspecten van oplossingsgerichtheid:
2. Verschil tussen oplossingsgericht adviseren en traditionele advisering Onderstaand
schema vat de verschillen zoals wij die waarnemen tussen de
oplossingsgerichte en traditionele adviesbenadering samen.
Wij hebben de ervaring dat de oplossingsgerichte benadering veel gevallen effectiever is dan de traditionele werkwijze op de volgende manieren: (1) het resultaat is beter door dat het doel concreter wordt omschreven; (2) het resultaat wordt sneller bereikt doordat er recht op het doel wordt afgegaan; (3) het resultaat beklijft beter doordat de gehanteerde aanpak en oplossingen vertrouwder zijn; (4) de kwaliteit van de relatie tussen adviseur en cliënten is over het algemeen beter doordat de adviseur zowel inhoudelijk als procesmatig beter aansluit bij de cliënt.
3.
Beschrijving onderzoek Dit onderzoek is het eerste in een serie die wij willen verrichten om de bovenbeschreven ideeën en ervaringen systematisch te toetsen. In dit eerste bescheiden onderzoek willen wij nagaan of de vier kenmerken waarin oplossingsgericht adviseren naar onze overtuiging verschilt van traditionele advisering inderdaad relevant zijn. Hiertoe willen wij toetsen of mensen de vier aspecten die wij onderscheiden betekenisvol vinden voor advieswerk. In een tweede onderzoek willen wij toetsen of experts in oplossingsgericht adviseren inderdaad hoger scoren op de vier aspecten dan willekeurige adviseurs. In een later onderzoek willen wij de relatie gaan onderzoeken tussen de gevolgde adviesbenaderingen en de kwaliteit van het resultaat. Dit onderzoek zal trachten te toetsen of oplossingsgericht adviseren inderdaad leidt tot betere, snellere en beter beklijvende resultaten en tot plezieriger relaties tussen klant en adviseurs. 4.
Vraagstelling: zijn de vier aspecten betekenisvol?
Om
meer grip te krijgen op wat oplossingsgericht adviseren concreet zou
kunnen betekenen, hebben wij eerst een goede manier van beschrijven
van oplossingsgericht adviseren nodig, ofwel een goede operationalisatie. Wij
hebben een vragenlijst opgesteld bestaande uit 30
vragen die de vier dimensie trachten te beschrijven. Per dimensie hebben
wij een aantal vragen geformuleerd die volgens ons de oplossingsgerichte
aanpak typeren en een aantal die de traditionele aanpak typeren. We hebben
de vragenlijst afgenomen bij 100 respondenten. Wij zijn aan deze
respondenten gekomen door een eerste groep mensen aan te schrijven met het
verzoek de vragenlijst in te vullen. Vervolgens hebben wij mensen die de
vragenlijst hebben ingevuld gevraagd of zij nog andere respondenten
wisten. De groep respondenten bestond uit zowel uit adviseurs als uit
opdrachtgevers van adviseurs (deze groepen overlapten gedeeltelijk). Onze belangrijkste vraag was: kunnen de vragen die we
hebben opgesteld inderdaad worden beschouwd als goede metingen van de
aspecten van oplossingsgerichte advisering. Om hierachter te komen hebben
wij gekeken naar de onderlinge samenhang van de vragen. Om
te kunnen geloven dat een aantal vragen die bedoeld zijn om een bepaald
aspect te meten (ofwel een schaal) daadwerkelijk het zelfde aspect meten
moet hun onderlinge samenhang (of interne consistentie) groot genoeg zijn.
Cronbach’s alfa is een maat voor deze interne consistentie. Een lage
alfa (voor dit soort onderzoek zou dat betekenen een alfa lager dan
ongeveer .60)
wil zeggen dat de veronderstelde schaal niet intern consistent is. De
respondenten hebben dan blijkbaar geen consistent beeld bij het aspect dat
de vragen beogen te meten. De meting is dus niet betrouwbaar. Is de alfa
hoger dan kan men de schaal wel als intern consistent beschouwen. De
vragen kunnen dan beschouwd worden als betrouwbare indicatoren van het
onderliggende aspect. 5.
Resultaten
De resultaten waren als volgt:
Deze resultaten suggereren dat
schalen 1, 2, en 4 een redelijke tot goede interne consistentie hebben.
Bij schaal 3 is de interne consistentie vrij laag. Inhoudelijke analyse
van de vragen die hoorden bij deze schaal deed ons beseffen dat deze
schaal op twee gedachten hinkte. Er zat enerzijds een aspect in
van kleine stappen versus grote stappen en anderzijds een aspect van
planmatigheid versus incrementaliteit. In het vervolgonderzoek moeten we
deze vragen dus aanscherpen.
Onze hoofdvraag is hiermee grotendeels positief beantwoord: drie van de vier losse dimensies zijn voorlopig redelijk bruikbaar om verschillen in adviesstijlen te beschrijven, waarbij hoge scores staan voor een meer oplossingsgerichte benadering en lage scores voor een defectgerichte benadering. Het resterende aspect kan waarschijnlijk verbeterd worden door het op te splitsen in twee deelaspecten. Alle vragen samen geven een goede meting van algemene oplossingsgerichtheid. De onderlinge correlaties voor de vier schalen zijn als volgt:
Uit dit correlatiepatroon is af te leiden dat de vier
schalen onderling positief samenhangen, zoals ook uit de alfa voor alle
vragen samen bleek, maar toch ook niet zo hoog correleren dat het zinloos
is om ze apart te beschouwen. 6. Overige resultaten Het voorgaande laat zien dat we met een redelijke tot goede
betrouwbaarheid in staat zijn om iets te meten dat gelet op de inhoud van
de vragen te maken lijkt te hebben met oplossingsgerichte advisering. We
weten echter nog niet of dat wat we meten ook echt met
(oplossingsgerichte) advisering te maken heeft. Om iets meer licht te
werpen op dit validiteitsvraagstuk hebben wij de respondenten gevraagd een
korte zelfbeschrijving te geven aan de hand van vijf vragen die gebaseerd
zijn op de zogenaamde Big Five factoren van persoonlijkheid. Op basis
hiervan kan met de nodige voorzichtigheid worden afgeleid dat
oplossingsgerichtheid positief samenhangt met consciëntieusheid, openheid
en (milde) onzekerheid. Naarmate respondenten op de vragen als meer
oplossingsgericht naar voren komen beschrijven zij zichzelf dus als consciëntieuzer,
intellectueel opener en (binnen grenzen) als onzekerder c.q. minder
stellig. 7.
Conclusie/discussie Op basis van dit onderzoek denken wij dat wij redelijk tot
goed in staat zijn om 3 van de 4 aspecten van oplossingsgerichtheid in
kaart te brengen. Bovendien lijken alle vragen samen een goede meting te
zijn voor oplossingsgerichtheid in het algemeen. De bij de aspecten
horende vragen hangen vanuit het perspectief van de respondenten gezien
blijkbaar zinnig met elkaar samen. Deze vragen kunnen dus gebruikt worden
in het vervolgonderzoek met de experts en eventueel in een later stadium
bij het onderzoek naar de relatie tussen adviesoriëntatie en de
effectiviteit van advisering. De vragen voor het aspect stapgrootte moeten
bijgesteld worden. Uit de correlaties tussen oplossingsgerichtheid enerzijds
en consciëntieusheid, openheid en onzekerheid/stelligheid anderzijds is
vooruitlopend op het effectiviteitsonderzoek met veel slagen om de arm af
te leiden dat oplossingsgerichtheid samen zou kunnen gaan met een
positieve adviseursattitude c.q. succes als adviseur. Een goede adviseur
zou immers zijn werk goed moeten willen doen, open moeten willen staan
voor alternatieve visies en een bepaalde mate van onzekerheid moeten
hebben c.q. niet al te stellig moeten zijn. In het algemeen is trouwens bekend dat er een positief
verband is tussen werkprestaties en de Big Five factoren consciëntieusheid
en (milde) onzekerheid. In de huidige buyers market voor advies is het
belangrijk om meer grip te krijgen op mogelijk effectiviteitsbevorderende
factoren. Wellicht kan oplossingsgerichtheid hier een rol bij spelen.
Denk met ons mee!
Referenties: |