![]()
NOAM, Netwerk voor Oplossingsgericht Adviseren en Managen
Solution-focused Change in Organizations
|
© 2000, Coert Visser
Samenvatting
- Anorexiastrategie,
over de gevolgen van saneren. Bent
u net als ik één van de mensen die de laatste tijd regelmatig nadenkt
over de toenemende macht van de aandeelhouder en de effecten die dat heeft
op de Nederlandse economie en samenleving? Dan is dit wellicht iets voor
u. Arjen van Witteloostuijn, hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit
te Groningen stelt in zijn recent verschenen boek Anorexiastrategie dat de
toenemende macht van de aandeelhouder zeer schadelijke effecten op
economie en maatschappij heeft. Een centrale bewering van Van
Witteloostuijn is dat bedrijven zich anders gaan gedragen door de grotere
nadruk op aandeelhouderswaarde. In veel bedrijven is er sprake van een
steeds grotere druk om steeds sneller aan steeds hogere rendementseisen te
voldoen. Om aan deze eisen te kunnen voldoen, ontslaan bedrijven steeds
vaker en makkelijker personeel, ook wanneer de resultaten van het bedrijf
prima zijn en zij in zeer gezonde staat verkeren. U kent de voorbeelden.
Reden: het ontslaan van personeel heeft snel en zeker een positief korte
termijn-effect op de bottom line . Daarnaast investeren
bedrijven steeds minder in het ontwikkelen van nieuwe producten en maken
zij steeds meer gebruik van flexwerkers. Maar
is het niet zo dat deze moderne tijden met intense internationale
concurrentie en versnellende technologische ontwikkelingen schreeuwen om
een drastische hervorming in de richting van Angelsaksische markteconomieën?
Worden de Rijnlandse harmoniestructuren niet verslagen door het
Angelsaksische vrije markt-kapitalisme? Kan de noodzakelijke flexibiliteit
niet alleen bereikt worden door liberalisering van afzet- en
arbeidsmarkten? Nee, zegt Van Witteloostuijn. Hij betoogt dat Nederland de
moderne uitdagingen tegemoet treedt met fantasieloos gerommel in de marge
volgens de heersende mode: saneren, dereguleren, liberaliseren,
privatiseren en verder afwachten maar. "Het Nederlandse bedrijfsleven
hyperventileert volgens hem in navolging van de grote buitenlandse
voorbeelden van de ene hype naar de andere mode. Een groot deel van de
Angelsaksische management vernieuwingen is nauw verbonden met afslankingen
en kostenreducties dat alles met het oogmerk van de onderneming een
flexibele en winstgevende machine te maken. Het nut van saneren lijkt op
het eerste gezicht duidelijk: reductie van arbeidskosten leidt direct tot
een verbetering van de winst (wat werkt sneller dan het operatief
verwijderen van wat managers beschouwen als vet?). Waarom saneren volgens
de auteur echter niet werkt, is vanwege de desastreuze effecten op de
werkvloer. Waardevolle ervaringskennis gaat verloren, achterblijvende
werknemers blijven veelal achter met een teleurgesteld en cynisch gevoel.
De voor het bedrijf meest waardevolle mensen zijn vaak de eerste mensen
die spontaan (ongewenst!) vertrekken. Bovendien werkt saneren volgens van
Witteloostuijn verslavend en kunnen zij leiden tot anorexiaverschijnselen
(zie ook Competing for the Future van Hamel & Prahalad, 1994). Want na
een eerste korte termijn effect blijkt in de praktijk vaak dat de
resultaten slechter worden. Omdat de effecten van saneren meestal
tegenvallen, besluit het management vaak opnieuw tot een afslankingsronde.
Menigeen
is van mening dat juist de liberalisering van de Nederlandse economie er
de oorzaak van is dat het zo uitstekend gaat met onze economie. Met de
Nederlandse economie gaat het volgens Van Witteloostuijn echter minder
goed dan velen denken. Hij legt gedetailleerd uit dat de groei van de
werkgelegenheid kwetsbaar is, dat te veel nieuwe banen een marginaal
karakter hebben, dat de verborgen werkloosheid onverminderd hoog blijft en
dat de beweging in de richting van een sociale tweedeling niet te stuiten
lijkt. Hoewel het Nederlandse bedrijfsleven erg rijk is, gaat de
ontwikkeling de hoge winsten van grote bedrijven hand in hand met een
dalende werkgelegenheid. De nieuwe rijkdommen worden nauwelijks aangewend
ten behoeve van het scheppen van werkgelegenheid, de financiering van
extra loonkosten of een ommekeer in de daling van de investeringen in
onderzoek en ontwikkeling. In plaats daarvan houden bedrijven veel in kas
of wenden zij het aan ten behoeve van de handel in elkaars aandelen. Een
ander probleem is dat de massieve groei van de economie (56%-groei in de
afgelopen 2 decennia) tot vrijwel geen noemenswaardige verbetering van de
koopkracht van de modale werknemer heeft geleid. Met de minima is het nog
slechter gesteld: in twintig jaar bijna 10 % koopkrachtverlies. Ook de
Amerikaanse situatie is minder fantastisch dan velen suggereren. De
Amerikaanse economie kampt volgens de auteur met matige groeivoeten,
toenemende ongelijkheid, dalende reële lonen voor grote groepen in de
samenleving, een haperende sociale zekerheid en stagnerende
productiviteitsgroei. Zelfs het veelgeroemde banensucces is voor een
belangrijk deel een façade: het werkelijke aantal werklozen is met ruim
10 procent ten minste twee keer hoger dan de officiële statistieken doen
vermoeden. Iets vergelijkbaars geldt overigens in Nederland. Van
Witteloostuijn tracht in dit boek tegenwicht te bieden aan de hype van de
veramerikansering. Van Witteloostuijn pleit tegen het klakkeloos overnemen
van Amerikaanse modes en instituties en het verheerlijken van de
aandeelhouder. Hij heeft het dan niet alleen over de grote nadruk op het
realiseren van korte termijn aandeelhouderswaarde maar gaat ook uitgebreid
in op de veel meer directieve en bureaucratische manier van besturen van
bedrijven. In veel bedrijven van Amerikaanse of Engelse origine is weinig
ruimte voor overleg en inspraak, althans voor Nederlandse begrippen. Op
veel plekken in het Nederlandse bedrijfsleven lijkt het Amerikaanse
conflictmodel terrein te winnen op het ons van oudsher bekende harmonie-
en overlegmodel. Denk bijvoorbeeld aan de recente klachten van de COR van
CORUS over de nieuwe lijn aldaar: niet meer vooroverleggen maar
vastgestelde besluiten achteraf te zien krijgen. Van
Witteloostuijn pleit voor een duurzaam succespad dat is gebaseerd op 1)
grote aandacht voor het personeel en 2) dito aandacht voor innovatieve
investeringen. Bij het ontwikkelen en op de markt brengen van innovaties
is de inbreng van de mens essentieel. Daar ligt het uiteindelijke
concurrentievoordeel: het koesteren van de menselijke capaciteiten. Hij
komt met de volgende tien aanbevelingen om ons poldermodel te reviseren en
verfijnen: meer
aandacht voor de lange termijn krijgen,
bevorderen
van medezeggenschap,
spaarzaam
toepassen van saneren,
herwaarderen
van het middenmanagement,
opbouwen
van buffervoorzieningen en
het
creëren van een continentaal financieel systeem waarin sprake is van
regulering van financiële markten.
Het
bouwen van een investerende interventiestaat die actief investeert in
de samenleving.
Aandelen
voor iedereen
Decentralisatie
van uitkeringen
Mondiale
belastingheffing De
auteur heeft een knappe prestatie geleverd en een waardevolle bijdrage aan
de discussie over corporate governance met dit zeer goed gedocumenteerde
boek. Hij komt met overtuigende argumenten en met een grote hoeveelheid
statistieken en onderzoeksgegevens. Als lezer ga ik een flink stuk mee in
de lijn van argumenteren van Van Witteloostuijn. Ik ben het vooral van
harte met hem eens dat investeringen in personeel en produktontwikkeling
te vaak te veel lijden onder de druk om steeds hogere winsten te maken.
Ook ben ik met hem eens dat het Amerikaanse conflictmodel In Nederland
niet goed zal kunnen werken (en ik vraag me af of dat in de Verenigde
Staten een positieve bijdrage levert aan het economische succes).
Dat
neemt niet weg dat ik met een aantal vragen blijf zitten. Bijvoorbeeld: ìs
het wel zo dat de macht van de aandeelhouder zo toeneemt? Uit recent
onderzoek blijkt dat alleszins mee te vallen (velen zullen zeggen: tegen
te vallen). Zou het niet zo kunnen zijn dat de flexibilisering van arbeids-
en afzetmarkten toch een belangrijke impuls heeft opgeleverd voor onze
economie? Is het wellicht toch niet zo dat elementen uit het
Angelsaksische besturingsmodel toch succesvol zijn? Gaat het niet toch wel
erg goed met de Amerikaanse economie? Is die toch niet veel innovatiever
dan de onze? En is dat niet minstens ten dele te danken aan een soepeler
proces van creative destruction? Als het gaat om veranderingen in de
economie is het verleidelijk om te komen tot snelle, stellige en
definitieve standpunten. Ik ben daar echter -zelfs na het lezen van dit
boeiende en provocerende boek- nog niet helemaal aan toe. Wel denk ik dat
het essentieel is dat we overheid, bedrijven en individuen- zelf blijven
nadenken en onze eigen keuzes blijven maken en vooral niet klakkeloos
toepassen wat we vanuit het buitenland voorgeschoteld krijgen.
Op
dit artikel rust copyright. Overname op uw eigen site zonder
schriftelijke toestemming van de auteur is verboden. Verwijzen naar
dit artikel via een link op uw site is natuurlijk wel toegestaan en
wordt op prijs gesteld.
Dit
artikel verscheen op managementsite.net
|