Uitgaan van wat er al is - Interview met Jan Kuilers - Coert Visser

 

 

 

 

 

 


Home

Training

Coaching

Artikelen

Nederlandse blog

Engelse site

Engelse blog

NOAM site

Contact

 

 

 

 

 

 

 

© 1997-2009. Zonder toestemming overnemen van deze site is verboden

 

Engelse artikelen

Artikelen door anderen

Links

Interviews

 

 

Lees 3 recente boeken over oplossingsgericht werken:

Doen wat werkt Paden naar oplossingen Oplossingsgericht aan de slag

 

De ware aard van intelligentie

Interactiever, dynamische en situationeler

 

© 2004, Coert Visser

 

Hoe zien we intelligentie?

Zowel leken als deskundigen hanteren wijd uiteenlopende definities van intelligentie. Vraag maar eens aan vrienden of collega’s wat zij verstaan onder intelligentie. U zult waarschijnlijk verwijzingen horen naar problemen oplossen, je kunnen aanpassen, snel kunnen denken, snel kunnen leren, creatief zijn, slim zijn, goed kunnen denken, logisch redeneren, verstandig zijn, goed kunnen analyseren, en ga zo maar door. Hoewel de variatie in antwoorden groot is, lijken de meeste leken en deskundigen het wel over een paar aspecten van intelligentie eens te zijn.

 

De meeste mensen gaan er impliciet of expliciet van uit dat intelligentie de volgende drie kenmerken heeft:

 

1.      Intrapersoonlijk: Intelligentie is een eigenschap van individuen. Met andere woorden: intelligentie is intrapersoonlijk. Het zit in je en is onlosmakelijk aan jou als individu verbonden. Selectiepsychologen baseren hun adviezen vaak in belangrijke mate op individuele intelligentiemetingen. Ook leken zien intelligentie voornamelijk als iets dat ‘in’ de persoon zit.

 

2.      Eendimensionaal: zowel leken als deskundigen erkennen dat er verschillende dimensies of aspecten aan intelligentie te onderscheiden vallen maar beide groepen behandelen intelligentie toch voornamelijk alsof het een eendimensionaal begrip is. Selectiepsychologen spreken van de zogenaamde G-factor, de algemene intelligentiefactor en vatten het resultaat van een intelligentieonderzoek samen in een enkele (IQ-)score, terwijl leken impliciet ook vaak praten over intelligentie alsof het één ding is ("Zij bezit een hoge intelligentie.")

 

3.      Onveranderlijk: intelligentie is een eigenschap die onveranderlijk is vanaf de leeftijd van ongeveer 17 jaar. De veronderstelde onveranderlijkheid of stabiliteit van intelligentie houdt in dat mensen zowel in verschillende situaties als op verschillende leeftijd een zelfde intelligentie hebben.

 

Kortom: het zit in je, het is één ding en het is onveranderlijk.

 

Aanvullende zienswijzen

Deskundigen op het gebied van intelligentie baseren hun overtuigingen vaak op een indrukwekkende hoeveelheid denkwerk en onderzoek (zie voor een voorbeeld de website van Linda Gottfredson). Hieronder volgt geen poging om de traditionele zienswijze van intelligentie aan te vallen maar om deze aan te vullen.

 

Intelligentie valt te zien als intrapersoonlijk, eendimensionaal en onveranderlijk maar ook als:

 

1. Interpersoonlijk

Intelligentie hoeft niet alleen te worden gezien als iets dat in het hoofd van een individu zit maar ook als iets dat ontstaat tussen personen wanneer mensen met elkaar samenwerken. Deze zienswijze maakt het mogelijk dat intelligentie zich ook tussen mensen afspeelt. Steeds wanneer twee mensen intellectuele prestaties leveren die zij afzonderlijk niet zouden kunnen leveren, zien we een voorbeeld van het interpersoonlijke aspect van intelligentie. Moeilijk voorstelbaar? Denkt u eens aan het volgende. De hersenen zijn een netwerk van naar schatting meer dan honderd miljard hersencellen (neuronen) van verschillende soorten die ieder met vele neuronen in verbinding staan. Hoewel de hersenen tot indrukwekkende prestaties in staat zijn, zijn de neuronen waaruit zij opgebouwd zijn niet erg intelligent. De intelligentie van mensen zit niet in de neuronen maar in de verbindingen tussen de neuronen, dus tussen de neuronen, ofwel in het netwerk. De vergelijking tussen hersenen en samenwerkende mensen moet niet al te ver worden doorgevoerd, alleen al omdat hersenen onvoorstelbaar veel complexer zijn dan zelfs de meest complexe organisatie. Maar de analogie van de hersenen maakt het voor ons wel gemakkelijker om ons organisaties voor te stellen als netwerken van met elkaar verbonden mensen waarbij de waarde en de intelligentie van de organisatie zich niet louter in de mensen bevindt maar tevens tussen die mensen. Het maakt het makkelijker om te denken in termen van een collectieve intelligentie.

 

2. Meerdimensionaal

Intelligentie hoeft niet alleen te worden gezien als iets dat algemeen en eendimensionaal is maar kan ook worden gezien als een complex van meerdere dimensies (zie bijvoorbeeld Sternberg, 1985). Hier wordt niet gepleit voor een vergaande oprekking van het intelligentiebegrip (zoals Gardner, 1991 doet) door bijvoorbeeld ook zaken als atletisch vermogen als intelligent te bestempelen. Laten we het begrip intelligentie reserveren voor het verstandelijke domein. Maar ook binnen dit domein zijn er verschillende relevante dimensies aan intelligentie te onderscheiden. Eén van de meest overtuigende modellen is van David Perkins (1995) die als belangrijke dimensies onderscheidt:

 

  1. Neurale intelligentie, deze intelligentie geeft de algemene informatieverwerkingssnelheid weer van de persoon, een aspect van intelligentie dat vermoedelijk raakt aan de G-factor

  2. Experiëntiele intelligentie, intelligentie die gebaseerd is op ervaringen en die zich zowel expliciet als impliciet kan manifesteren, je zou dit een domeingebonden of situationele intelligentie kunnen noemen en

  3. Reflectieve intelligentie, tactieken en technieken die je inzet om zo effectief en efficiënt mogelijk gebruik te maken van je neurale en je experiëntiele intelligentie. Je zou ook kunnen spreken van meta-intelligentie of strategische intelligentie.

 

3. Ontwikkelbaar:

intelligentie beschouwen als een meerdimensionaal fenomeen opent meteen de mogelijkheid om intelligentie te zien als ontwikkelbaar. Waar de G-factor (mogelijk) inderdaad niet of nauwelijks ontwikkelbaar is, zijn andere belangrijke dimensies van intelligentie dat wel. Experiëntiele intelligentie is zeer goed ontwikkelbaar (al verloopt dit proces uiterst langzaam). Reflectieve intelligentie kan zelfs snel ontwikkeld worden (Perkins, 1995).

 

Betekenis voor de praktijk

Hoewel leken en deskundigen in genuanceerde buien vaak onderkennen dat intelligentie in zekere mate interpersoonlijk, meerdimensionaal en ontwikkelbaar is, doen ze hier in de praktijk doorgaans niet zoveel mee. Als het waar is dat intelligentie ook interpersoonlijk, meerdimensionaal en ontwikkelbaar is dan heeft dit veel belang voor de praktijk. Hieronder twee voorbeelden.

 

Personeelsselectie: interactiever, dynamischer en situationeler

De selectiepsycholoog zou niet alleen geïnteresseerd zijn in het meten en rapporteren van ‘de’ intelligentie van de sollicitant maar tevens in de volgende aspecten. Hoe goed vult de individuele sollicitant de collectieve intelligentie van het team aan? Om hier iets over te kunnen zeggen is een meting aan het individu niet toereikend. Er zal een interactie tussen sollicitant en organisatie moeten plaatsvinden om de ‘chemie’ te kunnen inschatten. Naast een meting van algemene intellectuele capaciteiten wordt gekeken naar andersoortige intelligentieaspecten zoals relevante domeinspecifieke ervaringsintelligentie en de meta-aspecten van intelligentie, zoals probleemoplossingstrategieën, denkmodellen, tactieken etc. Als deze gezichtspunten ter harte zouden worden genomen zou selectie interactiever, dynamischer en situationeler worden ingericht.

 

Zie intelligentie als een ontwikkelbaar potentieel

Ook voor leken is het belangrijk hoe zij intelligentie zien. Onderzoek van Carol Dweck (2002) laat zien dat wat mensen denken over hun eigen intelligentie verstrekkende gevolgen heeft. Dweck laat zien dat mensen die intelligentie zien als onveranderlijk de neiging ontwikkelen om zich te richten op het bewijzen dat zij die eigenschap bezitten en het proces van leren veronachtzamen. Kortom: de verkeerde overtuigingen kunnen slimme mensen dom maken. Maar er is hoop: wanneer mensen intelligentie zien als een potentieel dat ontwikkeld kan worden dan leidt dit tot de neiging om inspanningen te leveren en strategieën te ontwikkelen die leren en lange termijn prestaties leiden.

Dat de manier waarop we fenomenen zien veel gevolgen heeft, is al lang bekend. Het geldt ook voor intelligentie. Een te beperkte definitie van intelligentie leidt tot praktische beperkingen en problemen. Een realistischere kijk op intelligentie maakt het mogelijk om deze beperkingen op te heffen en deze problemen op te lossen.

 

Literatuur

  • Dweck, C. S. (2002). Beliefs that make smart people dumb. In: Sternberg (2002). Why Smart People can be so stupid. Yale University Press, New Haven & London.

  • Gardner, H. (1991). Multiple intelligences. New York: Free Press.

  • Perkins, D.N. (1995). Outsmarting IQ: The emerging science of learnable intelligence. New York: Free Press.

  • Sternberg, R.J. (1985). Beyond IQ: A triarchic theory of human intelligence. New York: Cambridge University Press.

Coert Visser (coert.visser@planet.nl) is een coach, consultant en trainer die werkt met de positieve veranderaanpak oplossingsgericht werken. Deze aanpak richt zich er eenvoudigweg op om individuen, teams en organisaties te helpen om vooruitgang te boeken in de richting van hun eigen keuze. Coert heeft veel artikelen geschreven en enkele boeken, waaronder het boek Doen wat werkt, dat de GIDSprijs 2006 won. Ook interviewde hij baanbrekende denkers zoals Insoo Kim Berg, Jeffrey Pfeffer en David Maister. Meer informatie vindt u hier: Trainings- en adviesbureau Oplossinggericht Veranderen, website NOAM, website Solution-focused Change, website Oplossingsgerichtmanagement, http://solutionfocusedchange.blogspot.com

 

Dit artikel verscheen op managersonline.nl

 

 

Copyright © 2009 Coert Visser. All rights reserved.