Hoe zien we intelligentie?
Zowel leken als deskundigen hanteren wijd uiteenlopende
definities van intelligentie. Vraag maar eens aan
vrienden of collega’s wat zij verstaan onder
intelligentie. U zult waarschijnlijk verwijzingen
horen naar problemen oplossen, je kunnen aanpassen,
snel kunnen denken, snel kunnen leren, creatief
zijn, slim zijn, goed kunnen denken, logisch
redeneren, verstandig zijn, goed kunnen analyseren,
en ga zo maar door. Hoewel de variatie in antwoorden
groot is, lijken de meeste leken en deskundigen het
wel over een paar aspecten van intelligentie eens te
zijn.
De meeste mensen gaan er impliciet of expliciet van uit dat
intelligentie de volgende drie kenmerken heeft:
1.
Intrapersoonlijk:
Intelligentie is een eigenschap van individuen. Met
andere woorden: intelligentie is intrapersoonlijk.
Het zit in je en is onlosmakelijk aan jou als
individu verbonden. Selectiepsychologen baseren hun
adviezen vaak in belangrijke mate op individuele
intelligentiemetingen. Ook leken zien intelligentie
voornamelijk als iets dat ‘in’ de persoon zit.
2.
Eendimensionaal:
zowel leken als deskundigen erkennen dat er
verschillende dimensies of aspecten aan
intelligentie te onderscheiden vallen maar beide
groepen behandelen intelligentie toch voornamelijk
alsof het een eendimensionaal begrip is.
Selectiepsychologen spreken van de zogenaamde
G-factor, de algemene intelligentiefactor en vatten
het resultaat van een intelligentieonderzoek samen
in een enkele (IQ-)score, terwijl leken impliciet
ook vaak praten over intelligentie alsof het één
ding is ("Zij bezit een hoge intelligentie.")
3.
Onveranderlijk:
intelligentie is een eigenschap die onveranderlijk
is vanaf de leeftijd van ongeveer 17 jaar. De
veronderstelde onveranderlijkheid of stabiliteit van
intelligentie houdt in dat mensen zowel in
verschillende situaties als op verschillende
leeftijd een zelfde intelligentie hebben.
Kortom: het zit in je, het is één ding en het is
onveranderlijk.
Aanvullende zienswijzen
Deskundigen op het gebied van intelligentie baseren hun
overtuigingen vaak op een indrukwekkende hoeveelheid
denkwerk en onderzoek (zie voor een voorbeeld de
website van
Linda Gottfredson).
Hieronder volgt geen poging om de traditionele
zienswijze van intelligentie aan te vallen maar om
deze aan te vullen.
Intelligentie valt te zien als intrapersoonlijk,
eendimensionaal en onveranderlijk maar ook als:
1. Interpersoonlijk
Intelligentie hoeft niet alleen te worden gezien als iets
dat in het hoofd van een individu zit maar ook als
iets dat ontstaat tussen personen wanneer mensen met
elkaar samenwerken. Deze zienswijze maakt het
mogelijk dat intelligentie zich ook tussen mensen
afspeelt. Steeds wanneer twee mensen intellectuele
prestaties leveren die zij afzonderlijk niet zouden
kunnen leveren, zien we een voorbeeld van het
interpersoonlijke aspect van intelligentie. Moeilijk
voorstelbaar? Denkt u eens aan het volgende. De
hersenen zijn een netwerk van naar schatting meer
dan honderd miljard hersencellen (neuronen) van
verschillende soorten die ieder met vele neuronen in
verbinding staan. Hoewel de hersenen tot
indrukwekkende prestaties in staat zijn, zijn de
neuronen waaruit zij opgebouwd zijn niet erg
intelligent. De intelligentie van mensen zit niet in
de neuronen maar in de verbindingen tussen de
neuronen, dus tussen de neuronen, ofwel in het
netwerk. De vergelijking tussen hersenen en
samenwerkende mensen moet niet al te ver worden
doorgevoerd, alleen al omdat hersenen onvoorstelbaar
veel complexer zijn dan zelfs de meest complexe
organisatie. Maar de analogie van de hersenen maakt
het voor ons wel gemakkelijker om ons organisaties
voor te stellen als netwerken van met elkaar
verbonden mensen waarbij de waarde en de
intelligentie van de organisatie zich niet louter in
de mensen bevindt maar tevens tussen die mensen. Het
maakt het makkelijker om te denken in termen van een
collectieve intelligentie.
2. Meerdimensionaal:
Intelligentie hoeft niet alleen te worden gezien als iets
dat algemeen en eendimensionaal is maar kan ook
worden gezien als een complex van meerdere dimensies
(zie bijvoorbeeld Sternberg, 1985). Hier wordt niet
gepleit voor een vergaande oprekking van het
intelligentiebegrip (zoals Gardner, 1991 doet) door
bijvoorbeeld ook zaken als atletisch vermogen als
intelligent te bestempelen. Laten we het begrip
intelligentie reserveren voor het verstandelijke
domein. Maar ook binnen dit domein zijn er
verschillende relevante dimensies aan intelligentie
te onderscheiden. Eén van de meest overtuigende
modellen is van David Perkins (1995) die als
belangrijke dimensies onderscheidt:
-
Neurale
intelligentie, deze intelligentie geeft de
algemene informatieverwerkingssnelheid weer van
de persoon, een aspect van intelligentie dat
vermoedelijk raakt aan de G-factor
-
Experiëntiele
intelligentie, intelligentie die gebaseerd
is op ervaringen en die zich zowel expliciet als
impliciet kan manifesteren, je zou dit een
domeingebonden of situationele intelligentie
kunnen noemen en
-
Reflectieve
intelligentie, tactieken en technieken die
je inzet om zo effectief en efficiënt mogelijk
gebruik te maken van je neurale en je
experiëntiele intelligentie. Je zou ook kunnen
spreken van meta-intelligentie of strategische
intelligentie.
3. Ontwikkelbaar:
intelligentie beschouwen als een meerdimensionaal fenomeen
opent meteen de mogelijkheid om intelligentie te
zien als ontwikkelbaar. Waar de G-factor (mogelijk)
inderdaad niet of nauwelijks ontwikkelbaar is, zijn
andere belangrijke dimensies van intelligentie dat
wel. Experiëntiele intelligentie is zeer goed
ontwikkelbaar (al verloopt dit proces uiterst
langzaam). Reflectieve intelligentie kan zelfs snel
ontwikkeld worden (Perkins, 1995).
Betekenis voor de praktijk
Hoewel leken en deskundigen in genuanceerde buien vaak
onderkennen dat intelligentie in zekere mate
interpersoonlijk, meerdimensionaal en ontwikkelbaar
is, doen ze hier in de praktijk doorgaans niet
zoveel mee. Als het waar is dat intelligentie ook
interpersoonlijk, meerdimensionaal en ontwikkelbaar
is dan heeft dit veel belang voor de praktijk.
Hieronder twee voorbeelden.
Personeelsselectie: interactiever,
dynamischer en situationeler
De selectiepsycholoog zou niet alleen geïnteresseerd zijn
in het meten en rapporteren van ‘de’ intelligentie
van de sollicitant maar tevens in de volgende
aspecten. Hoe goed vult de individuele sollicitant
de collectieve intelligentie van het team aan? Om
hier iets over te kunnen zeggen is een meting aan
het individu niet toereikend. Er zal een interactie
tussen sollicitant en organisatie moeten
plaatsvinden om de ‘chemie’ te kunnen inschatten.
Naast een meting van algemene intellectuele
capaciteiten wordt gekeken naar andersoortige
intelligentieaspecten zoals relevante
domeinspecifieke ervaringsintelligentie en de
meta-aspecten van intelligentie, zoals
probleemoplossingstrategieën, denkmodellen,
tactieken etc. Als deze gezichtspunten ter harte
zouden worden genomen zou selectie interactiever,
dynamischer en situationeler worden ingericht.
Zie intelligentie als een ontwikkelbaar
potentieel
Ook voor leken is het belangrijk hoe zij intelligentie
zien. Onderzoek van Carol Dweck (2002) laat zien dat
wat mensen denken over hun eigen intelligentie
verstrekkende gevolgen heeft. Dweck laat zien dat
mensen die intelligentie zien als onveranderlijk de
neiging ontwikkelen om zich te richten op het
bewijzen dat zij die eigenschap bezitten en het
proces van leren veronachtzamen. Kortom: de
verkeerde overtuigingen kunnen slimme mensen dom
maken. Maar er is hoop: wanneer mensen intelligentie
zien als een potentieel dat ontwikkeld kan worden
dan leidt dit tot de neiging om inspanningen te
leveren en strategieën te ontwikkelen die leren en
lange termijn prestaties leiden.
Dat de manier waarop we fenomenen zien veel gevolgen heeft,
is al lang bekend. Het geldt ook voor intelligentie.
Een te beperkte definitie van intelligentie leidt
tot praktische beperkingen en problemen. Een
realistischere kijk op intelligentie maakt het
mogelijk om deze beperkingen op te heffen en deze
problemen op te lossen.
Literatuur
-
Dweck, C. S. (2002). Beliefs that make smart
people dumb. In: Sternberg (2002). Why Smart
People can be so stupid.
Yale University Press, New Haven & London.
-
Gardner, H. (1991). Multiple intelligences. New
York: Free Press.
-
Perkins, D.N. (1995). Outsmarting IQ: The
emerging science of learnable intelligence.
New York: Free Press.
-
Sternberg, R.J. (1985). Beyond IQ: A triarchic
theory of human intelligence.
New York: Cambridge University Press.
Coert Visser
(coert.visser@planet.nl)
is een coach, consultant en trainer die werkt met de
positieve veranderaanpak oplossingsgericht werken.
Deze aanpak richt zich er eenvoudigweg op om
individuen, teams en organisaties te helpen om
vooruitgang te boeken in de richting van hun eigen
keuze. Coert heeft veel artikelen geschreven en
enkele boeken, waaronder het boek
Doen wat werkt, dat de GIDSprijs 2006
won. Ook interviewde hij baanbrekende denkers zoals
Insoo Kim Berg, Jeffrey Pfeffer en David Maister.
Meer informatie vindt u hier:
Trainings- en adviesbureau Oplossinggericht
Veranderen,
website NOAM,
website Solution-focused Change,
website Oplossingsgerichtmanagement,
http://solutionfocusedchange.blogspot.com
Dit artikel verscheen op managersonline.nl